De cao beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

Na eerdere verlengingen in 2009 en 2010, is de cao-bve 2007-2009 begin 2011 opnieuw verlengd. Dit keer tot en met 31 maart 2011. Hieraan liggen vrijwel louter technische overwegingen ten grondslag. Gewijzigde wetgeving, o.a. de inwerkingtreding van de Wet op de ondernemingsraden (WOR), en de afspraken in het Professioneel Statuut maken het noodzakelijk om de artikelen die betrekking hebben op de medezeggenschap en het overleg met de vakbonden op de instellingen (IGO) aan te passen.

Salaris en looptijd
Onderdeel van de eerdere verlenging was een eenmalige uitkering van € 200 in april 2010 en een structurele uitkering van nog eens € 200 in oktober 2010. Beide uitkeringen zijn vanaf 1 januari 2011 structureel en verwerkt in de salarisschalen.
De looptijd van de nieuwe CAO BVE is bewust beperkt gehouden tot 1 april 2011 om de mogelijkheid open te houden voor 2011 een aanvullend akkoord te sluiten. Of en wanneer we daarin slagen zal niet alleen afhangen van de ontwikkelingen in de marktsector, maar vooral van die binnen de andere onderwijs- en overheidssectoren.

Overgang MR naar OR
In de wetgeving die de introductie van de ondernemingsraden in de sector BVE regelt is bepaald dat de oude Wet medezeggenschap onderwijs (WMO) op 1 maart 2011 vervalt. Instellingen hebben dus tot 1 maart 2011 de tijd om een ondernemingsraad te kiezen en te installeren. De meeste instellingen zijn daar ook in geslaagd.
Cao-partijen zijn overeengekomen dat alle besluiten en regelingen die na advies of met instemming van de (P)MR zijn vastgelegd, ook na 1 maart 2011 van kracht blijven. Eerst na advies of instemming van de OR op basis van het nieuwe medezeggenschapsregime (in casu: WOR, Professioneel Statuut en CAO BVE) kan er sprake zijn van een regeling die de oude vervangt.

Faciliteiten ondernemingsraad
De WMO en de WOR verschillen sterk van elkaar als het gaat om de toekenning van faciliteiten. Juist omdat de WMO hierover nauwelijks enige bepaling bevat, was in de CAO BVE een faciliteitenregeling opgenomen voor leden van medezeggenschapsraden. Minimaal was daarvoor 0,35% van de feitelijke personeelslast beschikbaar als bodem. Op diverse instellingen bestaan afspraken die daar bovenuit gaan.
De MBO Raad had een sterke voorkeur voor het laten vervallen van de bestaande afspraken over faciliteiten en het toepassen van de bepalingen hierover in de WOR. Uiteindelijk is na lang overleg een overgangsbepaling overeengekomen. Essentie hiervan is dat gedurende het eerste jaar nog 0,35% van de personeelslast beschikbaar is ten behoeve van de totale medezeggenschap voor het personeel. Zo spoedig mogelijk na installatie komen werkgever en de OR of OR’en een aantal uren voor onderling beraad en overleg overeen. Na 6 maanden wordt geëvalueerd of het begrote aantal uren aansluit bij de daadwerkelijke uitoefening van de taak als lid van de OR. Zo nodig vindt bijstelling plaats.
Als de werkgever en de OR/OR’en niet tot overeenstemming komen en er naar het oordeel van de werkgever minder faciliteiten noodzakelijk zijn dan 0,35% van de feitelijke personeelslast, kan de OR zich – na bemiddeling door de bedrijfscommissie - wenden tot de kantonrechter. Het is dan aan de werkgever om aan te tonen dat het aantal uren dat de verschillende leden voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig hebben, lager dient te zijn dan het beschikbare budget van 0,35%.

De definitieve tekst van de opnieuw verlengde en aan de gewijzigde wet- en regelgeving aangepaste CAO BVE kan via deze link als pdf-bestand gedownload worden. De tekst van .de overeenkomst met de overgangsbepalingen inzake de toekenning van faciliteiten door de ondernemer aan de OR vindt u hier.