01-06-2012

Nieuw financieel toetsingskader voor pensioenen

Minister Kamp heeft de hoofdlijnen gepresenteerd voor een nieuw financieel toetsingskader (ftk). Het ftk is het stelsel van financiële normen dat moet waarborgen dat pensioenen kunnen worden uitbetaald en de baten en lasten eerlijk tussen alle generaties worden verdeeld. Een ander ftk is nodig om het Pensioenakkoord te kunnen invoeren. Kamp kiest voor één vernieuwd ftk, met ruimte voor twee pensioencontracten: het bestaande nominale contract en het op reële ambitie gerichte contract uit het Pensioenakkoord.

Voor beide contracten wil Kamp dat de risicovrije marktrente, die de laatste weken nieuwe diepterecords bereikt, de basis blijft vormen voor het uitrekenen van de pensioenverplichtingen. Wel wil hij voor lange looptijden (vanaf 20 jaar) rekening houden met een wat hogere langetermijnrente. Dit is een verbetering, maar gaat duidelijk minder ver dan waarvoor het CNV heeft gepleit. Een andere verbetering die Kamp voorstelt is om de dekkingsgraad als gemiddelde over de laatste 12 maanden vast te stellen. Dit voorkomt het wild heen en weer schieten van deze belangrijke maatstaf.

Te voorzichtig?
Het nieuwe pensioencontract moet uitgaan van een (minstens) waardevaste pensioenuitkering. Indexatie is in dit contract een integraal onderdeel van de toezegging en moet dus ook worden meegenomen bij het uitrekenen van de verplichtingen. Dat gebeurt door een afslag op de rekenrente. Daar staat tegenover dat bij een reëel contract pensioenfondsen er rekening mee mogen houden dat op lange termijn naar verwachting een hoger rendement zal worden behaald dan de risicovrije rente. Kamp wil dat doen door een risico-opslag op de rekenrente, die toeneemt met de looptijd van de verplichtingen. Maar de minister gaat wat betreft de hoogte van die opslag aan de zeer voorzichtige kant zitten (1,5% voor de langste verplichtingen). Kamp opteert hiermee voor een rekenrente die overstap naar een reëel contract niet echt aantrekkelijk of zelfs nauwelijks mogelijk lijkt te maken. In het verdere overleg zal dit voor het CNV een zeer belangrijk punt worden.

Optisch nadeel
Doordat de indexatie in de verplichtingen zit komt de dekkingsgraad, ondanks de risico-opslag op de rekenrente, substantieel lager te liggen dan bij een nominaal contract. Dat is louter een optisch nadeel, want bij een reëel contract wordt er, afgezien van een mogelijke egalisatiereserve, gestuurd op een dekkingsgraad van 100%. Ligt de dekkingsgraad (na indexatie) onder de 100%, dan worden de pensioenen neerwaarts aangepast, maar wel gespreid over maximaal 10 jaar. Dus bijvoorbeeld bij een dekkingsgraad van 95% tien jaar lang een korting van 0,5%. Zolang de (gestapelde) korting onder de jaarlijkse automatische indexatie blijft, is er dus per saldo alleen sprake van onvolledige indexatie. Onderzoek van het Centraal Planbureau (CPB) bevestigt dat nominale kortingen in een reëel contract weliswaar vaker kunnen voorkomen, maar in omvang aanzienlijk beperkter blijven dan in een nominaal contract.

Invaren van oude rechten
Kamp heeft laten onderzoeken dat het collectief overhevelen van bestaande rechten naar het nieuwe contract in beginsel juridisch mogelijk is, maar hij wil het aan sociale partners op fondsniveau overlaten of hiertoe wordt overgegaan. Berekeningen van het CPB laten een licht, maar niet excessief voordeel zien voor de oudere generaties. Bij niet collectief invaren wordt de risicodeling doorbroken, waardoor jong en oud uiteindelijk slechter af dreigen te zijn en in het bijzonder negatieve inkomensgevolgen optreden voor gepensioneerden en deelnemers met al veel opgebouwde aanspraken. Het CPB concludeert: paradoxaal genoeg neemt de nominale zekerheid toe bij overstap van het nominale naar het reële contract.